Gaat stoïcisme over het onderdrukken van emoties?
Nee. De stoïcijnen leerden niet dat je je gevoelens moet onderdrukken of verbergen. Ze leerden dat onze pijnlijkste emoties rusten op een oordeel (dit is verschrikkelijk, dit verdien ik niet, dit houd ik niet vol) en dat je dat oordeel kunt onderzoeken. Het doel was niet minder voelen, maar minder valse oordelen geloven.
De verwarring komt uit de gewone taal: als iemand iets „stoïcijns” ondergaat, laat hij niets merken. Het stoïcisme als filosofie beschrijft juist hoe emoties ontstaan, en het staat eerder tegenover alles opkroppen.
Wat bedoelden de stoïcijnen met „hartstochten”?
Het Griekse woord was pathē, meestal vertaald als „hartstochten” of „passies”. Het betekende niet elk gevoel, maar een bepaald soort verstoring: een impuls die over de rede heen schiet omdat hij rust op een verkeerd oordeel over wat goed of slecht is. De stoïcijnen deelden ze in vier groepen in: verdriet, angst, begeerte en genot in de zin van uitbundigheid (Diogenes Laërtius VII.110–111).
Daarnaast beschreven ze de eupatheiai, de „goede gevoelens”: vreugde, behoedzaamheid en redelijk willen (Diogenes Laërtius VII.116; Cicero, Tusculanae disputationes IV.12–14). De wijze was dus niet leeg vanbinnen. Hij voelde deze dingen juist standvastig, omdat ze op ware oordelen rustten. Seneca zegt het zonder omwegen:
Bedenk dit: wijsheid brengt een vreugde die niet breekt en niet eindigt. De geest van de wijze is als de hemel boven de maan, waar een onverstoorde rust heerst. Zoek wijsheid — de vreugde verlaat de wijze nooit.
Als Marcus Aurelius een geest vrij van hartstochten een burcht noemt, bedoelt hij dus vrij van dat soort verstoring, niet vrij van betrokkenheid:
Een geest vrij van hartstochten is een burcht; een mens heeft geen veiliger toevluchtsoord. Wie dit niet heeft gezien, is onwetend; wie het ziet en er geen toevlucht zoekt, is ongelukkig.
In het eerste boek van de Overpeinzingen bedankt hij zijn leraar Sextus omdat die hem liet zien hoe je tegelijk volledig vrij van hartstocht en vol genegenheid kunt zijn (Overpeinzingen I.9).
Voelen stoïcijnen eigenlijk wel woede en angst?
Ja, en dat zeiden ze ook. Seneca's Over woede legt het het helderst uit. Aan het begin van boek II vraagt hij of woede vanzelf ontstaat of pas met instemming van de geest, en hij antwoordt dat er instemming nodig is (De ira II.1). Daarvoor komt iets anders: de onwillekeurige schok. Zijn voorbeelden zijn de huivering als je koud water over je heen krijgt, de haren die rechtop gaan staan bij slecht nieuws, het blozen bij grove woorden en de duizeling als je van een hoogte naar beneden kijkt (De ira II.2). Die eerste bewegingen, later propatheiai genoemd, overkomen iedereen. De geest ondergaat ze, hij brengt ze niet voort (De ira II.3).
Seneca onderscheidt drie fasen (De ira II.4.1). De eerste beweging is onwillekeurig, een soort aanloop naar de hartstocht. De tweede komt met instemming, al is die nog niet koppig. De derde is niet meer te houden: ze wil wraak, niet als dat terecht is, maar koste wat kost, en heeft de rede al onder de voet gelopen.
In zijn brieven zegt hij hetzelfde op een mildere toon:
Dit is geen angst — het is een natuurlijk gevoel dat de rede niet kan verdrijven. Daarom kunnen zelfs dappere mannen, bereid hun eigen bloed te vergieten, het bloed van een ander niet zien.
De stoïcijnse oefening speelt zich af in de ruimte tussen de eerste en de tweede beweging. De schok is geen moreel falen. Het probleem begint pas als je er zonder te kijken mee instemt.
Wat zei Epictetus over indrukken?
Epictetus gaf dit idee zijn bekendste vorm: niet de dingen zelf verontrusten mensen, maar hun oordelen over de dingen (Handboekje 5).
Een indruk (phantasia) is de manier waarop iets zich eerst aan je voordoet: hij beledigde me, ik ga falen, dit is een ramp. Epictetus vraagt niet dat je de indruk ontkent of doet alsof hij geen pijn doet. Hij vraagt je hem te behandelen als een bewering die nog niet is gecontroleerd. In het eerste hoofdstuk van het Handboekje raadt hij aan om tegen elke harde indruk te zeggen dat hij maar een indruk is, en helemaal niet wat hij lijkt te zijn (Handboekje 1.5), en daarna te vragen of de zaak in je macht ligt. In de Diatriben beschrijft hij dezelfde stap als de indruk vragen even te wachten, zodat je ziet wat hij is voordat je hem volgt (Diatriben II.18).
Wat bedoelde Marcus Aurelius met je niet laten verontrusten?
Marcus schreef de Overpeinzingen voor zichzelf, grotendeels tijdens veldtochten, en komt steeds op hetzelfde idee terug:
Lijd je onder iets van buitenaf, dan is het niet dat ding dat je verontrust, maar je eigen oordeel erover. En het ligt in je macht dat oordeel nu uit te wissen.
Hij geeft de pijn toe. Wat hij weigert, is de extra stap: het oordeel dat het hem echt heeft beschadigd. Dat oordeel uitwissen betekent niet ophouden met voelen. Het betekent ophouden met toevoegen. Over woede komt hij tot een conclusie die veel lezers niet verwachten:
Bedenk in een opwelling van woede: je door hartstocht laten meeslepen is geen kracht. Mildheid en zachtheid passen beter bij de menselijke natuur, en ze vragen meer moed.
Voor Marcus is het tegenovergestelde van razernij niet kilte, maar zachtheid.
Wat is stoïcisme dan niet?
Het is geen onderdrukking. Wie onderdrukt, houdt het oordeel vast en verbergt alleen de uiting: je blijft geloven dat die opmerking je dag heeft verpest, je laat het alleen niet zien. De stoïcijnse weg gaat de andere kant op. Je onderzoekt het oordeel en laat je uiting volgen uit wat je daarna echt gelooft. Met op elkaar geklemde kaken boven een nooit onderzocht oordeel zitten is geen stoïcisme. Dat is gewoon spanning.
Het is geen kilte. Toen een vriend een jong zoontje had verloren, verbood Seneca hem niet te rouwen. Hij vroeg alleen om het verdriet niet op te blazen voor publiek:
Voeg niets toe aan natuurlijk verdriet, en maak het niet groter door na te doen wat anderen doen. Het opvoeren van rouw vraagt meer van ons dan de rouw zelf. Weinig mensen zijn verdrietig als niemand kijkt.
En het is geen onverschilligheid voor pijn. In een andere brief vraagt Seneca zich af of de wijze pijn voelt, en hij antwoordt zo:
Heeft hij geen pijn gevoeld? Jawel — geen menselijke deugd neemt het gevoel weg. Maar vrees voelt hij niet. Onoverwonnen kijkt hij van een hoge plek neer op zijn lijden.
De pijn blijft. Wat verdwijnt, is de angst die we eraan toevoegen.
Hoe oefen je dit in het dagelijks leven?
Het duurt nog geen minuut. Probeer het eerst bij kleine dingen: een trein die te laat is, een kortaf berichtje, gemorste koffie.
- 1Merk de eerste beweging op.
De hitte, de beklemde borst, het zinkende gevoel in je maag. Ga er niet tegenin. Seneca zegt dat het iedereen overkomt (De ira II.2).
- 2Noem de indruk een indruk.
Zeg in stilte tegen jezelf dat dit een indruk is en niet de zaak zelf (Handboekje 1.5). Zet het daarna in woorden: wat vertel ik mezelf precies dat er is gebeurd?
- 3Vind het oordeel.
Zoek het woord dat de schade doet: verpest, oneerlijk, ondraaglijk, had moeten. Vraag je af of het klopt en of de zaak in jouw macht ligt.
- 4Kies de volgende stap.
Als het gevoel blijft, laat het dan blijven. Doe wat aan jou is: rustig antwoorden, afwachten of loslaten.
- 5Kijk 's avonds terug.
Seneca beschrijft hoe hij elke avond zijn hele dag doorliep zonder iets voor zichzelf te verbergen (De ira III.36). Eén eerlijke regel is genoeg.
